igor strawinsky: divertimento uit le baiser de la fée
Residentie Orkest | Reinbert de Leeuw| Susan Narucki, sopraan
Lno Berio: Eindrucke
Igor Stravinsky Divertimento uit Le baiser de la fée Als er ooit een componist is geweest die zich feilloos een bestaande stijl en de daarbij behorende compositietechnieken eigen kon maken, was dat wel Igor Stravinsky. Moeiteloos kroop hij in de huid van Machaut (Mis), Gesualdo (Monumentum), Bach (Koraalvariaties, Dumbarton Oaks), Pergolesi (Pulcinella), Webern (Movements), Broadway (Scènes de ballet) of de jazz (Ebony Concerto), zonder daarbij zijn eigen identiteit te verloochenen.

Ook met Tsjaikovski heeft Stravinsky zich uitgebreid beziggehouden. En bijna vanzelfsprekend waren het vooral diens balletten die hem interesseerden. Dat leidde in I921 tot een (ongepubliceerde) bewerking van twee gedeelten die Tsjaikovski uit zijn Doornroosje had geschrapt. Zeven jaar later ontstond een eigen ballet, Le baiser de la fée, op thema’s uit Tsjaikovski’s pianomuziek en liederen, en in 1941 arrangeerde hij nogmaals een gedeelte uit Doornroosje voor klein orkest (L’Oiseau bleu). Bovendien voltooide Stravinsky in de tussentijd het Capriccio voor piano en orkest, waarvoor, naast Praetorius, eveneens Tsjaikovski model stond. De opera Mavra, tenslotte, droeg hij op aan Glinka, Poesjkin en... Tsjaikovski. Eind 1927 werd Stravinsky’s uitgever benaderd door de danseres Ida Rubinstein, die plannen koesterde om een eigen balletgezelschap in Parijs op te richten, met het verzoek diens nieuwe ballet Apollon Musagète in het repertoire van de nieuwe groep op te mogen nemen. De Europese rechten voor dit werk behoorden echter aan Sergej Diaghilev toe, waarop Rubinstein aan Stravinsky opdracht gaf voor een nieuw ballet ter gelegenheid van de herdenking van de vijfendertigste sterfdag van Tsjaikovski. Mede dankzij een niet onaardig honorarium dat hem in het vooruitzicht werd gesteld, accepteerde de componist ‘niet alleen uit liefde voor Tsjaikovski, maar ook uit diepe bewondering voor het klassieke ballet, dat in zijn wezen door de schoonheid van zijn verhoudingen en de aristocratische strengheid van zijn vormen zo nauw aansluit bij mijn opvatting van kunst. In de klassieke dans zie ik de overwinning van de weloverwogen conceptie op vaagheid, van regel op willekeur, van orde op toeval.’

Sergej Diaghilev zag zijn belangrijkste huiscomponist niet graag ‘overlopen’ naar een concurrerend gezelschap. Zijn commentaar was eenvoudig: ‘Stravinsky, onze beroemde Igor, mijn eerste zoon, heeft zichzelf geheel opgegeven aan de liefde voor God en het geld.’ Een complete breuk tussen Diaghilev en de componist was het gevolg. Als basis voor het nieuwe ballet koos Stravinsky het sprookje Het IJsmeisje van Hans Christian Andersen, een schrijver wiens verbeeldingskracht volgens hem dicht bij die van Tsjaikovski lag. Twintig jaar eerder had Stravinsky Andersens sprookje De Nachtegaal omgewerkt tot zijn eerste opera Le Rossignol. Het IJsmeisje was echter een veel langer en gecompliceerder verhaal over een verdwaald jongetje dat door de ijsfee wordt gevonden. Zij kust hem op de hiel. Jaren later verschijnt de IJsfee opnieuw en weet het kind onder haar invloed te brengen. In het tafereel bij de molen verlaat hij zijn wereld en volgt hij haar naar haar rijk. Wanneer zij hem wederom op de hiel kust, is hij voor eeuwig in haar macht. Stravinsky zag in dit sprookje een allegorie op de persoon Tsjaikovski: ‘De kus van de fee op de hiel van het kind staat voor de kus waarmee de muze Tsjaikovski bij zijn geboorte markeerde — ondanks het feit dat de muze Tsjaikovski niet bij zijn huwelijk gevorderd heeft, zoals het bij de jongen in het ballet gebeurt, maar pas op het hoogtepunt van zijn loopbaan.’

Stravinsky besloot het ballet te baseren op pianomuziek en liederen van Tsjaikovski; werken die een onbekende kant van deze componist vertegenwoordigen. Maar, hoewel de muziek van Tsjaikovski de basis voor dit ballet vormde, assimileerde Stravinsky zich zo zeer met diens stijl, dat het geheel onmiskenbaar Stravinskiaans klinkt. De componist zou zich later nog maar met moeite weten te herinneren welke werken van Tsjaikovski hij had gebruikt en welke muziek hij zelf had geschreven.
In 1934 distilleerde Stravinsky een vierdelige suite uit de partituur van het ballet, waaraan hij de naam divertimento gaf. De eerste drie delen (sinfonia, danses suisses en scherzo) bevatten het grootste gedeelte van de eerste drie taferelen van het ballet (prologue, féte au village, au moulain en épilogue). Het vierde deel (pas de deux) is samengesteld uit de drie laatste nummers van het vierde tafereel (epilogue) met weglating van het eerste (entree).

De choreografie van het oorspronkelijke ballet zou aanvankelijk verzorgd worden door Michael Fokine. Maar tot opluchting van Stravinsky, die geen bewonderaar van deze choreograaf was, werd uiteindelijk Bronislava Nijinska hiervoor aangetrokken. De première op 27 november 1928 in de Parijse Opéra werd echter geen succes, volgens de componist omdat de choreografie niet constant op hetzelfde hoge niveau stond en hij niet in de gelegenheid was geweest op tijd hierop te reageren. Diaghilev gaf het ballet nog een trap na. Aan een vriend berichtte hij: ‘Ik kom zojuist terug uit het theater met een verschrikkelijke hoofdpijn als resultaat van alle verschrikkelijke dingen die ik heb gezien. Het ballet van Stravinsky was het enige nieuwe werk [...] Het is moeilijk te zeggen wat het voorstelde — slaapverwekkend, lachrymose, slechtgekozen Tsjaikovski, georkestreerd door Stravinsky op een zogenaamd meesterljke manier. Ik zeg ‘zogenaamd’, want het klonk drab en het gehele arrangement miste vitaliteit. [...]. Het theater was vol, maar een succes... Het was als een woonkamer waarin iemand plotseling een vieze geur afscheidt. Iedereen deed alsof hij het niet bemerkte en Stravinsky werd twee keer voor het doek geroepen.’
En met deze opmerking over Stravinsky’s Tsjaikovskiballet maakte Diaghilev onwillekeurig de cirkel rond. Schreef Eduard Hanslick immers niet naar aanleiding van Tsjaikovski’s vioolconcert dat het hem op de gedachte bracht dat er geen muziek zou bestaan die kon stinken?
Ronald Vermeulen (archief RO)