igor stravinsky: symphonies of wind instruments
Residentie Orkest olv Reinbert de Leeuw
In zijn boekje Le Coq et l’Arlequin verklaarde Jean Cocteau zich in 1918 voorstander van ‘een orkest zonder de streling van de strijkers’. Hij riep componisten op om muziek te schrijven voor een rijke verzameling van houtblazers, koperblazers en slagwerk. Twee jaar later werd hij op zijn wenken bediend door Igor Stravinsky, die zijn Symfonieën voor blaasinstrumenten componeerde voor twaalf houtblazers en elf koperblazers. Stravinsky verklaarde later in een interview dat hij bewust de vorkeur had gegeven aan de objectieve klank van de blazers boven de warme, menselijke klank van de strijkers. Stravinsky had Cocteau’s aanmoediging heus niet nodig om de blazers een prominente rol te geven. Zijn baanbrekende ballet Le Sacre du printemps uit 1913 opent met een uitgebreide episode voor blazers alleen. In zijn studietijd had hij zelfs een – verloren gegaan – Chant funèbre voor blazers geschreven ter nagedachtenis aan zijn leraar Rimsky-Korsakov. De dood van een gewaardeerde collega-componist vormde eveneens de aanleiding voor de Symfonieën voor blaasinstrumenten. Kort na het overlijden van Debussy in 1918 schreef Stravinsky als muzikaal eerbetoon een koraal voor blazers dat hij later als slotdeel opnam in de in 1920 voltooide en in 1947 herziene Symfonieën. De titel van de Symfonieën verwijst niet naar de negentiende-eeuwse orkesttraditie. Stravinsky treedt eerder in de voetsporen van Andrea en Giovanni Gabrieli, die de Venetiaanse barok plechtig inluidden met ruimtelijk opgezette ‘symphoniae’ waarin (onder meer) blaasintrumenten samenklinken. Bij Stravinsky ontvouwt zich een sober, haast ascetisch lijnenspel. Korte blokken, waarvan één als refrain fungeert, klinken achter elkaar zonder overgangen. Deze onpersoonlijke en tegelijk aangrijpende muziek klinkt als een star ritueel.