koorwerken van stravinsky | sjostakovitsj en ravel
Toonkunstkoor Amsterdam o.l.v Boudewijn Jansen | Cees van Zeeland en Sepp Grotenhuis, piano
Wijziging programma: Oorspronkelijk zou de pianopartij bij de Psalmensymfonie van Stravinsky door het PianoDuo: Cees van Zeeland en Gerard Bouwhuis gespeeld worden. Maar vlak voor de repetities begonnen brak Gerard zijn sleutelbeen, met alle gevolgen vandien. Gelukkig werd Sepp Grotenhuis bereid gevonden om de plaats van Gerard in te nemen. Omdat het te kort dag was om óók Stravinsky's geplande 'Dumbarton Oaks' in te studeren, werd het programma aangepast. Na de Psalmensymfonie spelen Cees van Zeeland en Sepp Grotenhuis nu: Concertino voor 2 piano’s opus 94, van Dimitri Sjostakovitsj en Habanera en Entre Cloches uit 'Sites Auriculaire' van Maurice Ravel.
Klik hier voor foto's van de repeties.

Igor Stravinsky: Pater Noster
Igor Stravinsky: Ave Maria
Igor Stravinsky: Credo ‘Slavische geloofsbelijdenis’
Dimitri Sjostakovitsj: Concertino opus 94
Maurice Ravel: Habanera en Entre Cloches uit 'Sites Auriculaire'
Igor Stravinsky: Psalmensymfonie (arr. Sjostakovitsj voor 2 piano’s)

In de jaren voor en na het ontstaan van de Psalmensymfonie componeerde Stravinsky enkele geestelijke koorwerken, die hij baseerde op Slavische kerkteksten die hij als kind leerde. Stravinsky was lid van de Russisch Orthodoxe Kerk, die het Latijn in de ban had gedaan. Toen hij als klein kind in St.Petersburg zijn avondgebed sprak, deed hij dat in het Slavisch. Zoals hij later toegaf in Expositions and Developments, een serie gesprekken te boek gesteld door Robert Craft: ”I do not know how to say it in Russian."

Omdat de Russisch Orthodoxe Kerk het gebruik van instrumenten in de kerk niet toestond, schreef Stravinsky zijn geestelijke werken voor gemengd koor a capella. Hij wilde zang zonder begeleiding alleen toepassen in zo primitief mogelijke harmonieën, en koos daarom in het Ave Maria (1943) voor de uiterst simpele Frygische toonladder. Het eerdere Pater Noster (1926) is even simpel van opzet. Het Credo (1932) is zo mogelijk nog strenger en soberder. Dit is liturgische muziek zonder enige opsmuk; er klinkt zeer geconcentreerde devotie in door. In deze muziek geeft Stravinsky de orthodoxe kerkmuziek zijn eigen onmiskenbare stempel, als met enkele simpele maar geniale pennenstreken.

In de Psalmensymfonie (1930) maakt Stravinsky andere keuzes. De tekst van de drie verkozen psalmen wordt gezongen in het Latijn, en omdat het koor hier wel begeleid wordt, staat Stravinsky zichzelf een uitgebreider idioom toe met een meer contrapuntische vorm. De componist merkte zelf over dit werk op: ‘Dit is geen symfonie waarin ik psalmen heb ingevoegd om te zingen. Integendeel, het is het zingen van de psalmen dat ik symfoniseer’. Stravinsky koos drie psalmen, die van boetedoening overgaan in triomfantelijke lofzang. De Psalmensymfonie brengt de Bijbelse teksten naar een muzikaal hoger plan, het gebied van de gerijpte componist.

De Psalmensymfonie is een symfonie in drie delen voor koor en orkest. Het stuk werd geschreven in opdracht van Serge Koussevitzky, dirigent van het Boston Symphony Orchestra, ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van zijn orkest. De Psalmensymfonie werd ooit door Sjostakovitsj bewerkt voor twee piano’s en wordt op 11 mei uitgevoerd door Het Pianoduo Bouwhuis & Van Zeeland.

Dimitri Sjostakovitsj: Concertino voor 2 piano’s, opus 94 (1954)
Sjostakovitsj componeerde zijn opus 94 voor zichzelf en zijn zoon (en conservatoriumstudent) Maxim, zodat ze het samen konden spelen. Het stuk bestaat uit een contemplatief en langzaam eerste deel dat overgaat in een op tempo gespeeld tweede deel waarin een melodie met een zowel lyrisch- als een opgewekt karakter net zolang met zichzelf concurreert tot er rust ontstaat. Het laatste deel wordt afgesloten met een virtuoze race tegen de klok voor vier handen.

Sjostakovitsj's relatie met Stravinsky was ambivalent; "Aan zijn vriend Isaak Glikman schreef hij: De componist (Stravinsky) aanbid ik, maar voor de denker heb ik geen goed woord over. Sjostakovitsj was vooral gecharmeerd van de Psalmensymfonie, waarvan hij zelf een pianoversie had gecomponeerd. Toen Stravinsky in 1962 de Sovjet Unie bezocht kreeg hij die versie van Sjostakovitsj cadeau. De historische ontmoeting tussen beide componisten verliep nogal problematisch. Sjostakovitsj zou hypernerveus zijn geweest en volgens waarnemers gedroeg Stravinsky zich erg uit de hoogte.

Maurice Ravel: Habanera (1895) en Entre Cloches (1897) uit 'Sites Auriculaire'
Habanera is de eerste compositie waarin Ravel zijn geboorteland Spanje centraal stel en als zodanig een belangrijke fase in zijn muzikale ontwikkeling. In 1938 merkt hij er over op: “Dit stuk bevat de zaden voor alles wat ik hierna ben gaan schrijven”. In 1948 orkestreerde hij Habanera als derde deel van zijn Rapsodie Espagnole.

Of het waar is weten we niet. Maar er wordt gezegd dat de bewondering van Ravel voor het werk van Edgar Allan Poe de aanleiding was om Entre Cloches te schrijven. Het stuk loopt vooruit op wat later een  kenmerkend bestanddeel zou worden van de minimal music. In dit geval een herhaald en gevarieerd galmen van klokken. De première van Entre Cloches verliep rampzalig: de beide pianisten speelden niet gelijk, met het gevolg dat zij veel meer dissonantie produceerden dan de bedoeling was.

Boudewijn Jansen – dirigent
Sinds september 2003 staat TKA onder leiding van dirigent en artistiek leider Boudewijn Jansen. Jansen studeerde piano en orkestdirectie aan het Utrechts Conservatorium. Na zijn studie werd hij muzikaal leider van de Stichting Kameropera Nederland. Bij dit gezelschap dirigeerde hij meerdere opera’s. Sinds 1994 maakt Boudewijn Jansen deel uit van de muzikale staf van De Nederlandse Opera. Hij assisteerde o.a. Hartmut Haenchen, Sir Simon Rattle, Pierre Boulez, Gennadi Rozhdestvensky en Edo de Waart.
Sinds 1991 dirigeert Boudewijn Jansen het kamerkoor van de Vrije Universiteit. In het voorjaar van 2011 is hij benoemd tot artistiek leider van het Nederlands Concertkoor in Amsterdam.
Als muzikaal leider van het Poortersfestival in Amersfoort bracht hij enkele moderne operaproducties. Jarenlang nam Boudewijn Jansen de muzikale leiding op zich van het Utrechtse Oudegracht Opera Concert.

Toonkunstkoor Amsterdam (TKA) is een toonaangevend concertkoor met ambitie, dat de grote koorwerken afwisselt met intieme programma's, waarin de veelzijdigheid van het koor tot uiting komt.
Het repertoire van TKA reikt van Sweelinck tot aan vandaag. Naast de composities uit de 19de eeuw hebben de grote koorwerken uit de 20ste en 21ste eeuw de bijzondere aandacht. TKA richt zich daarbij voornamelijk op werken die vanwege de moeilijkheidsgraad zelden door mateurkoren worden uitgevoerd. TKA brengt tenminste één eigen productie per seizoen.

Het koor is in 1829 opgericht en kent een rijke geschiedenis met uitvoeringen onder leiding van Willem Mengelberg, Otto Klemperer, Bruno Walter, Eugen Jochum, Eduard van Beinum en Bernard Haitink.
Sinds de jaren zeventig werkt TKA jaarlijks mee aan concerten van o.a. Holland Symfonia en het Nederlands Philharmonisch Orkest, onder leiding van dirigenten als Hartmut Haenchen, Ken-ichiro Kobayashi, Jean Fournet en Yehudi Menuhin. Ook met orkesten als het Residentie Orkest, het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het Noordhollands Philharmonisch orkest heeft het koor opgetreden.
In 1899 begon Willem Mengelberg met de jaarlijkse uitvoeringen op Goede Vrijdag van de Matthäus Passion in het Concertgebouw. Na hem zette het koor deze traditie voort onder leiding van o.a. Eduard van Beinum, Anton Kersjes, Winfried Maczewski en Boudewijn Jansen.

www.toonkunstkoor.nl