arnold schönberg: suite op. 29
voor klarinet, basklarinet, viool, altviool, cello en piano
Etienne Siebens, dirigent | Regina van Berkel, choreografie | Dietmar Janeck, toneelbeeld en lichT
Studenten Dansvakopleiding Codarts & KC |


I. Ouverture | II. Tanzschritte | III. Thema mit Variationen | IV. Gigue

In 1921 componeerde Arnold Schönberg zijn eerste geheel dodecafone stuk, de Pianosuite opus 25. Hierin vormt het viertonige motief BACH (klinkend de noten Bes-A-C-B) onderdeel van de twaalftoonsreeks. Ook in zijn drie jaar later begonnen Suite voor piano, drie klarinetten en strijktrio neemt hij zijn hoed af voor het verleden. In de ironisch-opgewekte Ouverture herkennen we aanzetten tot een wals – zelf omschreef hij dit deel als ‘licht, elegant, vlot, bluf’. Het derde deel is gebaseerd op een – uiteraard tonaal – volksliedje en in de afsluitende Gigue (een barokdans!) horen we echo’s uit Mozarts strijkkwartet KV 574.

Hoewel de Suite opus 29 een van de eerste 12-toons composities was die Arnold Schönberg componeerde, zijn ook veel van de fundamentele technieken van het latere serialisme er al in terug te vinden. In de Suite gebruikt Schönberg de noten G and E♭ (Duits: S) dat zijn de voorletters van Gertrud Schönberg, met wie hij in 1924 in het huwelijk was getreden. Première: 15. december 1927, Paris, Grande Salle Pleyel, olv Arnold Schönberg.