Marc Wielart, masterstudent piano aan het Koninklijk Conservatorium.

In 1912 raakt de 22 jarige Jakob van Domselaer in Parijs bevriend met de 17 jaar oudere Piet Mondriaan. Geïnspireerd door wat Mondriaan in de schilderkunst voor elkaar heeft gekregen, neemt Van Domselaer zich voor om hetzelfde te doen voor de muziek. Tussen 1913 en 1916 componeert hij 9 composities met als titel Proeven van Stijlkunst - een titel die ondubbelzinnig verwijst naar de Stijl, de kunstbeweging (en het gelijknamige tijdschrift) die Mondriaan samen met kunstenaars als Theo van Doesburg en Bart van der Leck had opgericht.

De Proeven van Stijlkunst zijn de enige muziekstukken die volgens de principes van De Stijl zijn gecomponeerd. De eerste zeven delen van de cyclus zijn in 1916 in een uitgave van de Nieuwe Kring gepubliceerd. Met name de delen 4, 5, 8 en 9 worden gezien als equivalenten van een neoplastisch schilderij. Er heerst in deze muziek een 'statische balans'. Geheel volgens de ideeën van Mondriaan ging het in deze stukken om het bereiken van "de essentie van de werkelijkheid" en "het natuurlijke van de verschijningsvorm" Van Domselaer zelf is van mening dat een componist op zoek moet gaan naar "het absolute, het eeuwige, het goddelijke". In die opvatting is stilte een diepere werkelijkheid dan geluid. Stilte wordt gezien als een verticaal verschijnsel (het stilstaande), het toongeluid of een melodie als iets horizontaals (want dat speelt zich af in de voortschreidende tijd). Stilte is per definitie onhoorbaar, maar door een afgewogen verhouding tussen het verticale en het horizontale in de muziek (Van Domselaer noemt dit de tijdmaat) kan men een ideaal evenwicht verkrijgen, en wordt de stilte hoorbaar. Dit valt volgens van Domselaer te bereiken door de melodie op te heffen, toonladders te vermijden, en ritmes te reduceren. Akkoorden noemt hij 'klankstollingen'. Met zijn quasi-chaotische 'klankballingen' wist hij elk spoor van melodie uit. Dat het publiek niet op deze nieuwe ontwikkelingen zat te wachten wordt duidelijk als Mondriaan in het Amsterdamse Concertgebouw een concert bijwoont waar Van Domselaer eigen werken speelt. Tijdens het concert ontstaat er onder het publiek de nodige commotie, waar Mondriaan op reageert met de woorden: "Ze snappen nergens iets van, 't zijn hier stomme honden!".

Ondanks het feit dat Van Domselaer en Mondriaan veel van de voor die tijd zeer radicale ideeën delen, verschillen ze op een aantal punten ook van mening. Op een gegeven moment zelfs zo sterk, dat Van Domselaar Mondriaan verwijt dat hij met zijn abstracties de natuurlijke verschijningsvormen verbreekt en ontbindt. Mondriaan daarentegen is van oordeel dat van Domselaer niet meer met beide benen op de grond staat, de tijd waarin hij leeft verloochent en alleen nog rekening houdt met de buiten-kosmische eeuwigheid. Dit gaat van kwaad tot erger - totdat Van Domselaer op een zomeravond in het Laren van 1916, na een langdurig gesprek met Mondriaan, er een punt achter zet en tegen hem zegt: "Dan scheiden zich hier onze wegen, Piet."