Symphonie Orkest van het Koninklijk Conservatorium olv Jac van Steen


In een poging om zijn Opus 16 uitgevoerd te krijgen, wijst Schönberg in een brief aan Richard Strauss op het feit dat de stukken op geen enkele wijze thematisch met elkaar samenhangen, dat het vooral draait om klank en meer in het bijzonder: "een ononderbroken caleidoscopische wisseling van stemmingen, kleuren en ritmen." Ook repte hij over de korte speelduur van de stukken die als een positieve compensatie aangemerkt kunnen worden voor de moeilijkheidsgraad voor zowel uitvoerenden als luisteraars. Strauss, die in die dagen als componist van grensverleggende muziekdrama's als Salome (1905) en Elektra (1908) zelf als modernist werd gezien, durfde het Berlijnse publiek echter niet met Schönbergs Orchesterstücke te confronteren. 

In de vele commentaren op dit werkwordt altijd de nadruk gelegd op de zogenaamde definitieve breuk met het verleden en deatonaliteit evan beklemtoond. Vergeten wordt echter dat Schönberg zelf doodongelukkig was met de term atonaal. Letterlijk zou dit immers neerkomen op een muziek die 'anti tonen' is en niets is minder waar. Het radicale van de Fünf Orchesterstücke beteft vooral de vorm en de hevigheid in expressie.